Stemhebbers – Aflevering 01

Koor&Stem presenteert: ‘Stemhebbers, een podcast voor koorliefhebbers’. Evita Nossent en Ans De Bremme gaan in vijf afleveringen op zoek naar de vele facetten van het samen zingen. Deze reeks wordt een maandelijkse afspraak met en voor koorliefhebbers. Luc Anthonis bijt in deze eerste aflevering de spits af. 

Al vanaf de tweede repetitie ooit zong Luc mee bij het kinderkoor van de Ekerse C-koren opgericht door Jef Cleymans. Luc was toen zeven jaar. Meer dan 50 jaar later is hij nog steeds actief als dirigent in wat ondertussen uitgroeide tot een meer dan succesvolle koorfamilie. Vorige jaar vierde Luc Anthonis zijn 40-jarig dirigentschap. Tijd voor een gesprek met de dirigent, docent, jurylid en mens.

Stemhebber is te beluisteren via onderstaande links. Abonneer je via je favoriete podcast-app, zo krijg je de komende maanden automatisch een melding bij een nieuwe aflevering. Veel luistergenot!

https://www.koorenstem.be/nl/nieuws/luister-naar-onze-podcast-stemhebbers

Lied voor Agnes

Ik sta op
Voel de afdruk van haar indruk
Schrik van zoveel nabijheid in een wereld van afstand

Haar ogen stralende sterren
Stoffig doch met vonken
We lachen onnozel

Graag zien
Zo zegt ze zacht
Dat blijft hangen in een ziel
Zit soms verweven in een hoofd
Vaak verscholen in een traan
Maar raakt nooit gezegd in een woord.

Brief aan Tony

gisteren vloog een merel tegen het raam
niet één keer
verschillende keren
het diertje bleef koppig weer opvliegen
rustte even uit op een tak van de eik achter het huis 
en vloog dan weer in volle vaart tegen het raam
alsof zijn leven ervan afhing

ik keek ernaar
gefascineerd
bleef kijken
wilde helpen
knoop in mijn maag
één vraag
duizend vragen
is dit vastberadenheid? 
wanhoop?
een hoger doel misschien?
liefde?

ik moest alleszins aan jou denken
en hoe het nu met je gaat
ons laatste gesprek is alweer even geleden
een fijn gesprek
ik heb je nog zo veel dingen te vertellen
ik wil je nog zo veel dingen vertellen
feiten
fait divers
en fantastische fabels
de goede en de kwade
elk pijnlijk detail
een heel leven
maar dat is misschien te veel voor één brief

laat ik het dus maar bij het belangrijkste houden
ik mis je
en
ik hou van je

tot gauw
Hoop ik.

Seppe

‘Als ge op tram zeven wacht, dan kunt ge nog lang wachten,’ kirt een oud madammeke vanonder haar paraplu. Het moet weer lukken dat het regent op de avond dat ik beslis om te ontsnappen uit het psychiatrisch centrum.
En dan die klote tram die vandaag is afgeschaft.
Bon. Te voet dan maar.
Fuck mijn leven.
Fuck de wereld.
Fuck degene die mij tegen wil en dank op deze wereld heeft gezet.  

Ik trek mijn kap over mijn hoofd en begin te stappen richting Antwerpen centrum. Mijn schoenen vullen zich direct met het water dat vanuit de lucht naar beneden gutst. Serieus gast: nog geen drie meter verder en ik voel mijn onderbroek al tegen mijn reet plakken. En zeggen dat het de voorbije week om te smelten was.
Fred heeft laten weten dat ze voor de Korsakov zitten. Niet ‘in’ de Korsakov, want dat mocht niet met al die voze Corona maatregelen. Eerst wat pinten hijsen met de maten en tegen de ochtend, als het Mechelseplein alweer krioelt van de chique madammen die naar de bakker gaan, waggel ik op mijn gemak naar huis. Ons ma zal nogal eens verschieten als ze mijn gezicht ziet. Ik kan wat koffiekoeken meenemen. Misschien vindt ze het dan wel oké dat ik thuisblijf.
Ik snap trouwens niet waarom ik eigenlijk niet van in het begin van die belachelijk quarantaine naar huis mocht van haar. ‘Ik heb het te druk met andere dingen,’ moet ons ma hebben gezegd tegen de verpleging. Te druk? Ik bedoel, het is wel Corona hé gast. Iedereen zit thuis een beetje technisch werkloos te zijn. De Fred doet al vijf weken niks anders dan Netflix kijken. Hij zegt dat hij al zo goed als alles heeft gezien ondertussen en dat hij zijn geld gaat terugvragen, omdat ge voor dat geld toch wel langer dan vijf weken zoet zou mogen zijn. De Fred da’s nogal ne gierige, ziet ge. Die trakteert ook nooit op café.

Soit.

Ons ma dus. Ze heeft het zeker gewoon te druk met die mormels van haar nieuwe vriend. Pheadrake en Mattis, alle twee nog in de lagere school maar nu al alle symptomen van de pubertijd. Ik hoop dat ze hen niet op mijn slaapkamer te slapen heeft gelegd of het kot is te klein. Als ik daar niet mag slapen, dan mag niemand daar slapen.

‘Moet gij geen mondmasker dragen?’ een schoon poppemieke met zwart omrande ogen kijkt mij arrogant aan. Haar stem klinkt zoet als een suikerspin van de foor.
‘Gade gij ook beginnen?’ zeg ik. ‘Een mondmasker! Wat nen bullshit is dat, jong? In’t psychiatrisch centrum zagen ze daar ook altijd over.’
Daar, ik heb het gezegd: ‘psychiatrisch centrum’. Nu zal ze wel rap stoppen met mekkeren, ’t poppemieke met haar schoon gelakte nageltjes.
‘Kijkt gij in het centrum niet naar het nieuws ofzo?’ vraagt ze mij op een nog arrogantere toon.
‘Fuck you kalf,’ zeg ik en zoek mijn pak sigaretten in mijn broekzak. ‘Ga op een ander neuten met uwen franken teut.’
‘Chill hé patser, geef mij een sigaret en ik zal de flikken niet bellen.’ De glimlach die op haar bloedrode lippen verschijnt, windt mij op. Ze zou het mij geen twee keer moeten vragen, dat zweer ik. Met haar donker lang haar dat door de regen verwilderd langs haar poppengezichtje hangt.
‘Zijt gij wel al meerderjarig?’ vraag ik en steek een sigaret op. Ik speel een beetje nonchalant met de peuk tussen mijn vingers.
‘Eénentwintig. Moet ge mijn paspoort zien ofzo?’ Ze zet haar handen haar zij en neemt een houding aan die mijn goesting alleen maar doet stijgen.
‘Neen, neen ’t is al goed,’  zeg ik en geef haar een sigaret.
‘Psychiatrische instelling, hé? ’ Ze zet haar lippen rond de filter van de sigaret en neemt een lange trek. De koude natte broek rond mijn kruis van daarnet, begint nu verdacht heet aan te voelen.
‘Moet gij dan niet binnen zijn voor het avondeten ofzo op dit uur van de dag?’
Ik grinnik: ‘Neen, gast. Ik ga ons ma verrassen. Ze dacht dat ze mij daar in die psychiatrische keet kon laten wegrotten, maar ik ben ontsnapt. Nu zal ik worden geschorst en dan word ik zeker naar huis gestuurd. Dan zit ze sowieso met mij opgescheept.’
‘Stoer,’ zegt het poppemieke. ‘Ik ben Lily trouwens.’
‘Seppe,’  zeg ik en knipoog eens vettig in haar richting. Dat zal ze wel lekker vinden met haar veel te kort rokske en haar rode fuck-me-botjes. Als ge dat met dit weer aandoet, dan vraagt ge erom dat mannen vuile gedachten over u hebben.
‘Seppe? Coole naam.’ Lily neemt nog een trek van haar sigaret. Ze inhaleert, likt dan met haar tong langs haar lippen en bijt dan even op haar onderlip. Daarna blaast ze de rook uit langs haar pijpmondje. Als ze zo verder doet, dan ontplof ik waar ze bijstaat. 
‘Bon, Seppe. Ik moet naar huis. Ik zou u mijn nummer wel geven, maar dat zou mijn vriend niet zo tof vinden.’
Hare vriend? Tuurlijk, ’t was te denken. Vuil teef, zo misbruik maken van mijn geilheid om sigaretten af te luizen.
‘Oké, ik moet toch gaan zuipen met mijn maten. Geen tijd dus voor grieten,’ zeg ik zonder haar aan te kijken.
Lily lacht kort en loopt dan de straat uit. Ik blijf staan en kijk haar wiegende heupen na. In mijn broekzak voel ik mijn gsm trillen. ‘Seppe aan de lijn jo,’ neem ik op.
‘Yo bro, ’t is de Fred hier. Wij gaan naar huis hé maat, ’t is te slecht weer om op ’t straat te hangen.’
‘Ale gast, wacht efkes, ik ben er bijna. Ik ben speciaal voor ulle ontsnapt uit die klote gevangenis van een instelling.’
‘Nee maat, we zijn echt doorweekt en ons moeder heeft spaghetti thuis gemaakt. Ik ga thuis eten, jo. Spijtig van die ontsnapping en al, maar misschien volgend week nog eens hé. Yoow!’
Weg is Fred, klootzak. Zijn moeder heeft spaghetti gemaakt, fucking debiel. Hij kan op zijn minst vragen of ik niet wil mee-eten. Dan maar terug naar het centrum, want ons ma zal mij toch niet willen binnenlaten. Maar als ik straks in’t centrum geschorst word, dan moet ze mij wel weer binnen pakken.

Op de weg naar het psychiatrisch centrum passeren mij drie trams zeven. Ineens had de Lijn wel goesting om te rijden ofwa? De regen valt weer met bakken uit de hemel. Mijn kleren plakken tegen mijn lijf.
In’t centrum zit er al een verpleegster op mij te wachten.
‘Ah Seppe, ne plezante avond gehad?’  De tang lacht haar gele tanden bloot.
‘Och jong,…’ mompel ik en smijt mezelf op een bank in de inkomhal. ‘Bon, ik ben geschorst zeker? Belt ons ma maar dat ze mij komt halen hé.’
De verpleegster begint zo hard te lachen dat haar moddervette reet ervan trilt.
‘Neen, manneke,’ hikt ze, ‘dat had ge graag gewild hé, dat we u naar huis zouden sturen. Neen, neen, gij blijft schonekes hier in quarantaine. En als extraatje moogt gij de komende twee weken met een mondmaskerke rondlopen, zodat ge de anderen niet ziek maakt. We gaan geen risico’s nemen.’
‘Fuck you trut,’ zeg ik en laat mijn hoofd in mijn handen zakken.
          ‘Bon en ga nu maar slapen,’ kwettert het vette wijf.

Ik strompel naar mijn kamer en ga op bed liggen. Op het plafond kruipt een spin met zeven poten. Iedereen heeft zijn problemen zeker.
Maar toch: fuck mijn leven.
Fuck de wereld.
Fuck degene die mij tegen wil en dank op deze wereld heeft gezet. 

Elke keer

Elke keer
Ik niet meer weet
WAAROM

Zijn daar jouw woorden
Waarover je
GELUKKIG
Niet nadenkt

Je raapt mijn stukjes weer op
En vergewis ik me weer dat

Ondanks dat ik je al duizend keer verloor

Jij je mij herinnert
Zodat ik zeker weet dat sommige mensen

Voor ALTIJD zijn.

Jeanne

Ze is geen gewone ‘oma’. Ze is meer een dertiger in het lichaam van iemand van vijfennegentig. Ze is slim en bijdehand. Eigenzinnig en grappig. Zelfstandig en mee met de moderne, veel te snel gaande, tijd.

Twee jaar ben ik niet bij haar op bezoek geweest, maar dit weekend heb ik besloten om nog eens mee te gaan met mijn ouders. Wanneer ik haar zeg dat het alweer lang geleden is, glimlacht ze.
‘Ik zie u nochtans elke dag’ zegt ze kalm zoals alleen zij dat kan en stapt naar de lage kasten in de woonkamer. Ze neemt een klein fotoalbum en slaat het open. Ik zie een foto van mezelf genomen op de vijfenzestigste verjaardag van haar huwelijk mijn opa zaliger.
‘Ik zie u elke dag’ herhaalt ze glimlachend, ‘en er staan ook zo’n schoon foto’s in van opa.’ Ze laat mij een foto zien van mijn grootvader zoals ik me hem herinner. De liefde tussen die twee was echt, zoals God de liefde had bedoeld toen hij ze schiep.
Ze slaat een paar bladzijden om in het fotoalbum.
‘Hier,’ gniffelt ze, ‘Uw broer nog zonder zijne schone baard.’ Mijn hart breekt. Twee jaar ben ik niet langs geweest, maar dat maakt duidelijk niet uit wanneer ge in iemands hart en fotoalbum zit.

Ze vertelt me dat ze haar ‘chignon’ vanmorgen twee keer heeft gemaakt en dat maar niet wilde lukken. Na een derde keer vanmiddag heeft ze het opgegeven. Mijn oma is een kokette vrouw. Een fiere kat met pony-allures.
Het doet me denken aan de vorige keer dat ik hier was en ze zei dat ze het spijtig vond dat ze niet wist dat ik kwam. ‘Autrement, j’avais peigné mes cheveux,’ zei ze toen. In mijn ogen is ze altijd even mooi. Net zoals ze dat dertig jaar geleden al was, toen ze nog met ons mee naar Nederland ging. Toen mijn broer en ik met haar op onze cassetterecorder radioprogramma’s opnamen over het maken van pudding. En maar lachen tot we bijna in onze broeken plasten.
Ze legt het fotoalbum opzij en stopt mij de Italiaanse Vogue in mijn handen, want mijn oma beheerst perfect het Italiaans. Geleerd om de missen van de Paus goed te kunnen verstaan. Ze is vijfennegentig en ze is slimmer dan ik, dat staat vast.
Ze heeft een mening. De mode in deze Vogue vindt ze maar niks.
‘C’est trop, quoi.’
Ze kijkt elke dag naar het nieuws en weet perfect wie wie is. De dokter heeft haar gezegd dat ze te oud is voor Alzheimer.
‘Dat vind ik spijtig,’ zegt ze, ‘want ik zou het soms liever niet meer weten.’

‘De mensen die mij komen wassen zeggen dat ik nog lenig ben voor mijn leeftijd’ giechelt ze. ‘De vrouwen zijn altijd nog het langst het lenigst.’
Mijn vader, die ook nog steeds in de woonkamer zit, kijkt op van zijn krant.
‘Ik zeg alleen de waarheid,’ zegt ze schalks en met een grijns. Ze weet dat mijn vader al lang niet meer met haar discussieert. Winnen kan hij van velen, maar nooit van haar.
Ze is alles wat ik wil zijn als ik ooit 95 word en nu is ze er niet meer.
Merci Jeanne, Reine van de Rue des Princes, moeder van mijn geweldige moeder, om te zijn wie ge waard. Ge zult waarschijnlijk langer dan twee jaar wegblijven, maar ook gij zit in mij hart en fotoalbum. Misschien krijg ik later wél Alzheimer, maar u vergeten doe ik, kan ik en wil ik nooit.

Bernard

Bernard kijkt omhoog en fronst zijn wenkbrauwen. Het ongezellige licht van de tl-lampen in de rechtszaal doet pijn aan zijn nog vermoeide ogen. Hij heeft slecht geslapen vannacht. Dat heeft hij altijd als hij de avond voordien met de fles whisky geen maat weet te houden. Helaas heeft hij het goedje nodig om zijn brein te bedaren. Als hij geen borrel drinkt, dan slaapt hij helemaal niet. Bernard pulkt geërgerd aan de vest van zijn grijze maatpak. Hij haat zijn job. Al meer dan veertig jaar is hij Procureur des Konings, terwijl hij eigenlijk liever onderzoeksrechter wilde worden. Een mens zou voor minder chagrijnig in het leven staan. Mocht hij opnieuw kunnen beginnen zou hij alles anders aanpakken, maar met zijn pensioen in zicht is dat de moeite niet meer. Hij zal deze dagelijkse geseling nog wel een paar jaar uitzitten.

De dag is voor Bernard zoals altijd slecht begonnen. Omdat zijn wekker niet was afgegaan, is hij vanmorgen met zijn roestige Jaguar in zeven haasten naar de rechtszaal geracet. Het is dinsdag en het verkeer zat tegen. Dat is trouwens altijd zo op de tweede dag van de werkweek. Bernard heeft iets tegen dinsdagen. Het is de dag waarop je het weekend alweer vergeten bent en een volgend weekend nog te ver weg is om al naar uit te kijken. In de rechtszaal zitten aardig wat mensen. Bernard zucht en vouwt zijn handen. Een sigaret zou deugd doen. Normaal rookt hij er altijd een net voor hij de rechtszaal binnengaat, maar door het verschrikkelijke verkeer was dat daarnet niet gelukt. Bernard zucht nog eens, nu dieper dan daarnet. Dat deze rotdag maar snel voorbijgaat.
Er heerst een irritant geroezemoes in de rechtszaal vanmorgen. Vooraan zitten vier jonge vrouwen op een rij. Ze zien eruit alsof ze allemaal net op audiëntie zijn geweest bij de paus. Met hun fletse kleren en witte kraagjes lijken ze een beetje op de duiven op de trappen van het gerechtsgebouw waar Bernard hekel aan heeft. Ze fluisteren tegen elkaar en kijken af en toe in zijn richting. Bernard wordt er een beetje ongemakkelijke van en kijkt snel wat in het rond. Het valt hem op dat er opvallend veel vrouwen in de ruimte aanwezig zijn vandaag. Zelfs de drie rechters zijn van het vrouwelijke geslacht. Vreselijk vindt Bernard dat. Rechters horen mannen te zijn. Toen hij hier begon in de jaren zeventig zaten er nog échte rechters. Charismatische mannen met baarden en brillen. Tegenwoordig loopt het op het parket vol met van die arrogante dellen. Als ze jong zijn, dan zijn ze nog hups en aangenaam om naar te kijken. Zo een lekkere mokkel die voorbij je glazen bureau komt geparadeerd in minirok op stiletto’s, dat is toch genieten. Jammer genoeg zijn er ook de meer belegen modellen. Eens de vijvenveertig gepasseerd is alle frisheid verdwenen bij zo een wijf en is ze nog bezwaarlijk sexy te noemen. Daarbij liggen vrouwen hun talenten elders en hebben ze niets te zoeken op het parket. Ze zijn hier zeker beland zijn door al de bullshit die ze op de televisie zien. Walgelijk wat de media zich tegenwoordig allemaal permitteert. Bernard mist de tijd waarin Walter Zinzen en Alain Coninckx nog op televisie kwamen. Twee echte venten met kennis van zaken. Bernard heeft een hekel aan de huppelkutten die tegenwoordig zijn scherm vervuilen. Hij herinnert zich dat hij op een blauwe maandag eens per ongeluk bij het zappen op zo’n televisieserie was gestoten waar een getormenteerde actrice probeerde in zich in te leven in zijn job. Veel weet hij er niet meer van, alleen dat hij in die vijf minuten dat hij ernaar keek meer procedurefouten zag dan er ooit mogelijk waren in het echte leven. Positief was wel dat die roodharige sprinkhaan van een actrice een verdomd lekker lijf had.
In de rechtszaal wordt het geroezemoes steeds luider. De vier vrouwen op de eerste rij zitten Bernard nog steeds venijnig aan te staren. Hun keurig opgemaakt ogen lijken hem te willen doorzeven. Bernard glimlacht naar hen in een poging om hun sympathie op te wekken. Hun blik is al even gemeen als die van Mireille die hem tien jaar geleden had achtergelaten. Zijn vrouw had dan wel niet gekozen voor die verschrikkelijke depressie, toch voelde Bernard zich in de steek gelaten door haar na haar zelfmoord. Hij voelt zich ook tekortgeschoten als man, alsof hij Mireille op geen enkel vlak had kunnen geven wat ze nodig had. Dat frustreert hem danig. Daarbij kwam ook nog eens dat hij vanaf toen ineens alleen moest zorgen voor dat kleine kreng, hun dochter Hannelieze. Alsof hij, Bernard Vanboven, hardwerkende magistraat, niets anders te doen had. Op een dag had hij zijn dochter bij een ruzie zo’n ferme mep verkocht dat zijn handafdruk duidelijk zichtbaar was op haar aangezicht. De dag erna was ze voorgoed naar Leuven vertrokken. Dat is twaalf jaar geleden nu. Hannelieze, moederskindje tot en met, heeft Bernard de dood van haar moeder nooit vergeven. Ze liet ook geen kans onbenut om Bernard daarop te wijzen. Misschien is het wel beter zo. Zo hoeft hij niet altijd opnieuw te worden herinnerd aan Mireille en de verschrikkelijke beslissing die ze maakte op die mooie zomerdag in juli.

In de rechtszaal vraagt de rechter om aandacht door driemaal met haar hamer te slaan. Bernard schrikt op uit zijn gedachten. Hij haalt zijn gevouwen handen uit elkaar en wrijft met de palmen over zijn bovenbenen. De stof voelt ruw aan. Hij voelt zich zenuwachtig. Vreemd, denkt hij, ik heb me hier in deze ruimte nog nooit zo gespannen gevoeld. Hij ademt een paar keer diep in en uit en knippert mij zijn kraalogen. Daarna strijkt hij met beide handen even door zijn volle grijze haardos. Zijn hartslag daalt en hij voelt zijn winnaarsmentaliteit weer de kop opsteken. Gelukkig maar. De rechter schraapt haar keel en steekt van wel: ‘Meneer Vanboven, als u er klaar voor bent dan kunnen wij starten met het volgende deel van deze zitting. Aan u het woord.’
Als de rust zelf gaat Bernard staan en kijkt even opzij. Die vier schijnheilige duiven houden hem nog steeds nauwlettend in het oog. Daarna kijkt hij vastberaden naar de drie rechters. Hij twijfelt even, maar zegt dan toch met kordate stem: ‘Ik heb nooit, ik herhaal nooit, mijn vier stagiaires hier aanwezig ongewenste tekstberichten gestuurd, noch ongepast seksueel gedrag gesteld in hun bijzijn.’

84708435_209793320156116_857813318151176192_n

Ontleen Mij! (Predikheren Pamflet)

Ik werd geboren uit iemands hoofd en groei op in dat van anderen.
In de bib kwam ik terecht tussen mijn gelijken. Sommige slank en gevat, anderen robuust en eindeloos in woorden. Stuk voor stuk vol passie om onze lezers te beroeren, te vervoeren en, wie weet, zelfs te ontroeren.

Ik hoef geen bestseller te zijn, maar ben wel een basisbehoefte. Een medicijn tegen eenzaamheid. Ik toon mijn naakte letters zonder blikken of blozen, aan iedereen die erom vraagt. Aan iedereen die mijn bladzijden durft openspreiden, niet bang om ezelsoren te maken. Stop gerust je bladwijzer tussen mijn bladzijden, zodat je snel weer weet waar je gebleven was. Zodat je ultieme fantasie morgen weer verder kan gaan. Laat me je tijdmachine zijn naar wat verloren ging en je ruimteschip naar wat nog komen moet. Het antwoord op de vragen die je niet stelde. Zoek je weg naar het Eden dat ik in mij herberg, ver voorbij het fatsoen van een ordinair paradijs. Stel me voor aan je vrienden als je nieuwste aanwinst, die zij ook eens zouden moeten lezen. Neem me mee naar huis, naar je thuis en je gezin. Vertel je kinderen over mij, zodat ook zij mijn broze rijkdom misschien ooit eens willen ontmoeten. Ik wil hen alvast erg graag leren kennen, dat staat vast. Wandel door mijn pagina’s langs herinneringen als herenhuizen. Een oude gewoonte die toch elke keer weer verrast. Ontdek de diepgang van mijn verhaal dat voor iedereen anders leest. Lees me opnieuw en opnieuw. Laat je vingers van genot over mijn kaft glijden tot je de ondeugende smaak van de kleine hoekjes van je brein kan proeven. Snuif de bedwelmende geur op van net dat stapje verder te gaan. Het ontkennen van taboe, het spotten met censuur. Ontvoer me ter inspiratie van je dromen naar de intimiteit en de warmte van je bed. Jouw veilig nest voor eigen verhalen. Druk me daar tegen je aan en val met me in slaap. Als je goed luistert hoor je mijn letters een sensueel slaaplied voor je zingen, een kanten streling voor het oor.

Eens gelezen laat ik me door jou gracieus door de gleuf van de inleverbus glijden. Ik geef me gewillig over aan de vriendelijke handen van de bibliothecaris die me terugbrengt naar mijn plek in het rek. Mijn vertrouwde uitvalsbasis waar ik keer op keer weer kan thuiskomen tussen mijn compagnons. Als de omhelzing van lang verloren vrienden, allemaal strijders voor hetzelfde literaire doel.

Nu rust ik hier: waar ik hoor, in mijn prachtige bib. Tempel van volgeschreven vellen. Bondgenoot van de volgende lezer bij hun zoektocht naar troost en escapisme. De enige plek in deze gonzende stad waar de rust en het voluit leven hand in hand gaan. Kom me halen en blijf dit doen. Het doen doet verder doen. Verslind me keer op keer en ik beloof je je elke keer weer te bekoren. Maak me gruwelijk relevant en onweerstaanbaar essentieel.
Alleen dan zal ik nooit écht sterven, tenzij niemand me ooit nog leest.

(Pamflet geschreven voor de Parade en Opening van Predikheren Mechelen – 31/08/2109)

PamfletPredikheren

O.O.H. Gedicht

Er is een raam dat vies is van verzuurde regen
en binnen staat een afwas die nooit meer schoon te krijgen valt.

Er staat soep in de koelkast waar reeds nieuws leven op is ontstaan
en er staat een wasrek met strijk waar uren plezier aan valt te beleven.

Er is een kat die je kopjesgewijs zal smeken om eten
en er huizen verslenste bloemen die graag iets met jou willen drinken.

Er is de spin in de hoek, de badkamer met verloren haar,
het onopgemaakte bed, de kelder vol rommel en een lekkende zolder.

Mijn irritant kleine kanten ruisen in dit grote thuisige huis.
waar alles haast aanwezig lijkt,
behalve ik.
67792331_927431094255813_6992203931799519232_n

Noten Kopen

‘Ik ga een boek schrijven,’ zei de eekhoorn. Haar pluizige staart wiebelde heen en weer van enthousiasme.
De mier keek op van zijn boek en hield zijn hoofd scheef. ‘Een boek?’ vroeg hij.
‘Ja, een echt boek,’ zei de eekhoorn beslist.
De mier wiebelde even op zijn stoel en zei toen: ‘Daar kan je toch geen geld mee verdienen?’ Waar ga je dan noten mee kopen voor je middagmaal?’
‘Geen idee.’ zei de eekhoorn. ‘Ik verzin wel iets.’
De mier fronste zijn voelsprieten. ‘Iets verzinnen? Wat ga je dan eten? Waar ga je dan dat huisje mee bouwen waar je al zo lang over praat?’
‘Ik heb eens nagedacht,’ zei de eekhoorn ‘Een eigen huisje lijkt me beslist heel erg fijn, maar ik denk toch dat ik er gelukkiger van wordt als ik een boek zou schrijven.’
De mier zuchtte een paar keer diep. ‘Met geluk kan je niks kopen en al zeker geen noten.’
‘Toch wil ik een boek schrijven,’ zei de eekhoorn. ‘Noten en huizen zijn leuk, maar zelf iets maken dat lijkt me nog leuker.’
De mier schudde heftig met zijn hoofd. Wat haalde die eekhoorn toch allemaal in haar hoofd.
‘En er is meer!‘ ging de eekhoorn verder ‘niet alleen ik word gelukkig van dat boek, ik maak er ook nog een heleboel andere dieren gelukkig mee. Iedereen wil toch gelukkig worden?’
De mier liet zijn hoofd in zijn voorste pootjes zakken. ‘Nou nou,’ monkelde hij ‘denk jij echt dat je andere dieren zitten te wachten op dat boek van jou?’
‘Tuurlijk wel,’ zei de eekhoorn. ‘Het wordt echt een heel mooi boek.’
De mier kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘En waar mag jouw boek dan wel over gaan?’ vroeg hij aan de eekhoorn.
‘Over de olifant en de kat die samen naar helemaal Amerika reizen. Wat een avontuur!’ zei de eekhoorn enthousiast.
‘He bah!’ zei de mier fel. ‘Amerika, dat is zo ver.’
‘Of Mechelen, ’zei de eekhoorn snel. ‘Mechelen is niet zo heel ver weg.’
‘Doe dan maar Mechelen’ zei de mier. ‘Daar kan je tenminste nog mooie historische gebouwen bezoeken.’
De eekhoorn dacht even na. Daarbij pulkte ze geconcentreerd aan haar staart. ‘Goed,’ zei ze toen beslist, ‘dan gaan ze naar Mechelen.’
De mier knikte tevreden.
De eekhoorn nam pen en papier en begon naarstig te schrijven. De mier keek toe. Hij begreep nog steeds niet goed hoe dieren gelukkig konden worden van een boek.
‘Denk je echt dat andere dieren ook gelukkig gaan worden van jouw boek?’ vroeg de mier na een half uur te hebben gezwegen.
‘Ja hoor, ‘zei de eekhoorn, ‘want de kat is heel lief en de olifant heel grappig.’
‘Oh ja?’ vroeg de mier ongelovig.
‘Ja,’ zei de eekhoorn ‘en Mechelen is echt een heel boeiende locatie. Dank je voor die goede raad trouwens.’
Zo bleef de mier de hele avond kijken naar de eekhoorn die schreef. Soms giechelde de eekhoorn in zichzelf. Soms pinkte ze tranen weg van de mooie avonturen die ze aan het schrijven was, maar altijd bleef er een glimlach om haar lippen hangen.
Goh, dacht de mier, misschien heeft de eekhoorn wel gelijk: misschien word je wel écht gelukkig van boeken schrijven.

(Naar de verhalen van Toon Tellegen)
eekhoorn_-_luc_meert_0