Tussen kunst en liefde

‘Ik snap het niet.’ Simon doet een stap naar achter en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Hij laat zijn hoofd een beetje naar rechts hangen en haalt diep adem. ‘Neen sorry, ik snap dit kunstwerk echt niet.’
Mia, die naast hem staat, kijkt hem vragend aan. ‘Wat snap je niet?’
‘Nou gewoon, ik snap hét niet. Ik snap niet wat mensen er zo fantastisch aan vinden.’
‘Je moet kunst toch niet altijd snappen,’ glimlacht Mia ‘Soms is er gewoon naar kijken genoeg.’
Simon legt zijn hand op zijn kin en fronst zijn wenkbrauwen. Hij doet een stap in de richting van het bordje dat naast het werk hangt. ‘De natuur en meer in het bijzonder het platteland, zijn steeds het uitgangspunt van deze kunstenaar. Al worden zijn werken door de jaren heen steeds abstracter. Het gebruik van lijnen, vlakken en kleuren zijn voor deze schilder de manier bij uitstek om zich uit te drukken. Waar in het begin van zijn carrière zijn werken nog erg naturalistisch waren, wijken ze vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer van de werkelijkheid af.’ Simon gniffelt sarcastisch.‘Dat kan je wel zeggen. Ik herken hier echt niets van akkers of velden in.’
‘Dat hoeft toch niet?’ zegt Mia. ‘Geniet gewoon van de kleuren en de compositie van dit werk.’
Simon kijkt rond in de ruimte. ‘Neem nu dat werk daar.’ Hij wijst naar een canvas dat tegen een andere muur in de ruimte hangt. ‘Dat slaat toch nergens op? Ik zie enkel wat lijnen en strepen en hier en daar een klodder pastelkleurige verf. Dat kan ik ook. Ik zal zelfs meer zeggen: dat kan zelfs mijn nichtje van drie. Is dat dan ook kunst?’ Simon gaat zo op in zijn ergernis dat hij het ouder koppel dat de zaal is ingewandeld niet heeft opgemerkt. De man kucht zachtjes terwijl zijn vrouw hem aan zijn mouw snel naar de andere kant van de ruimte trekt. Mia knikt verontschuldigend naar hen als ze haar passeren. Ze schaamt zich ineens een beetje om Simon.
Simon merkt de ongemakkelijke sfeer in de ruimte duidelijk niet op. Hij schuifelt zenuwachtig heen en weer.‘Ik word lastig wanneer ik de dingen niet snap. Ik krijg dan altijd het gevoel dat ik dom ben.’ Hij loopt geërgerd naar het raam in de museumzaal. ‘Het zal wel compleet not done zijn dit te zeggen in een gerenommeerd museum als dit, maar kunst is echt niets voor mij. Geef mij maar gewone dingen, zoals de natuur buiten bijvoorbeeld of Star Wars.’ Hij draait zich bruusk om naar Mia. ‘Maar dat zal wel te mainstream zijn zeker?’
Mia moet lachen om Simon’s ergernis. Ze gaat op een bankje in het midden van de museumzaal zitten. ‘Simon toch, ik ga vaak naar musea en ik snap ook lang niet alles. Ik denk eigenijk ook niet dat dat hoeft. Het belangrijkste is dat je iets voelt als je naar een werk kijkt, niet of je het snapt of mooi vindt. Ik denk dat dat de essentie van kunst is, dat het je op de één op andere manier raakt.’
‘De essentie van kunst.’ Simon laat moedeloos zijn schouders hangen. ‘Ik denk toch dat het weer even zal duren eer ik nog eens naar een museum ga. Ik kan het beter op andere vrijetijdsbestedingen houden.’
‘Je bent niet dom, maak je geen zorgen. Ik hou ook best van Star wars,’ glimlacht Mia lief.
Simon zucht en leunt met zijn zij tegen de vensterbank. De zon tekent de lijn van zijn gezicht af. Hij heeft best een grote neus, denkt Mia, dat was haar nog nooit opgevallen. Net als zijn onzekerheid, die had ze ook nog nooit eerder gezien. Ze schrikt er een beetje van. Simon is meestal net erg zelfzeker, op het arrogante af. Nu staat hij daar als een schooljongetje dat net voor de eerste keer is gezakt voor wiskunde. Vreemd, ze had zich hun eerste echte afspraakje met twee helemaal anders voorgesteld. Mia wordt ineens overvallen door een soort angstgevoel. Straks gaat hij naar huis met het gevoel dat hij zijn tijd beter had kunnen besteden dan hier samen met haar in een museum. Ze had hem misschien beter gewoon meegenomen naar de bioscoop. Of misschien vindt hij haar nu wel een cultuursnob. Iemand die enkel naar films en tentoonstellingen gaat omdat die hoog aangeschreven staan, niet omdat ze die echt wil zien. Ze doet nochtans haar best om Simon op zijn gemak te stellen.
‘Ik moet gaan,’ zegt Simon opeens.
Mia schrikt wakker uit haar stroom van gedachten. ‘Oh, nu al?’
‘Ja sorry, ik had nog met vrienden afgesproken. Als ik op tijd wil zijn, dan moet ik de trein van acht voor vijf halen halen.’
Mia kijkt op haar horloge. ‘Het is al half vijf en het is toch zeker nog twintig minuten stappen naar het station, dus dan moet je inderdaad nu vertrekken.’
‘Klopt. Zullen we dan maar?’ Simon zet geheid de tocht naar de uitgang in.
Voor ze het weet staat Mia samen met hem in de grote inkomhal van het museum.
‘Ik moet nu rennen. Sorry hoor, maar ik had dit echt al lang geleden afgesproken met die vrienden,’ zegt Simon terwijl hij gehaast zijn jas aantrekt.
Mia knikt begrijpend. ‘Geen probleem. Ik hoop dat je het toch een beetje een fijne middag vond?’
‘Ja hoor, heel fijn,’ zegt Simon zonder haar aan te kijken. Hij ritst zijn jas dicht en zwaait met een soepele beweging zijn rugzak op zijn rug. ‘Goed, tot de volgende? We bellen nog. Doei!’ Simon geeft Mia vluchtig een kus op de wang en weg is hij.
Mia blijft beteuterd achter. Ze trekt langzaam haar jas aan en slentert naar de uitgang van het museum. Dit was vast de eerste en meteen ook de laatste keer dat hij met mij op stap wil, denkt ze. Ze voelt zich opeens erg onzeker worden. Waarom is het toch zo moeilijk om iemand te vinden waarmee je dingen kan delen? Ze doet nochtans erg haar best om zich open te stellen en nieuwe mensen te leren kennen. Het is allemaal zo vermoeiend. Mia zucht. Misschien heeft Simon wel gelijk, denkt ze dan, misschien is dit niets voor hem. Misschien snapt hij het echt gewoon niet. Ze bekijkt zichzelf in de weerspiegeling van het glas van de museumdeur. Naast haar land een stadsmus die zorgeloos kwettert. Ach ja, denk Mia dan, misschien snapt Simon haar ook gewoon niet.

Dit verhaal won de derde prijs in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018.

Gerrit_BirdArtwork: www.shellacdesign.com

 

Advertenties

Decemberlucht

De lucht kleurt al donker wanneer ik die avond mijn huis verlaat.
Ik trek de voordeur achter me dicht en wandel naar de bar waar ik met mijn twee broers en zus heb afgesproken. Op de hoek van de straat waar ik moet zijn, hou ik even halt. Ik neem mijn pakje sigaretten uit mijn broekzak en neem er één uit. Verdorie, het is de laatste. Ik steek de sigaret op en blaas kleine wolkjes in de koude decemberlucht.
Door het raam van de bar zie ik ze zitten. John en Eléonore naast elkaar met elk een kop koffie voor zich. Ze praten met Jacques, de barman. De man staat hier al jaren achter de toog. Al zeker sinds we deze jaarlijkse traditie startten, dat moet nu zo ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn.
Stephen zit niet bij hen. Hij zit wat verder aan de bar met zijn rug naar mij toe, afwezig in een tijdschrift de bladeren. Ik neem een laatste trek. Daarna gooi ik de peuk argeloos met duim en wijsvinger de nacht in. Ik steek de straat over en ga de bar binnen.

‘Je bent laat,’ zegt Stephen zonder op te kijken van het tijdschrift.
‘Ja sorry, het is druk op de zaak en ik moest de kinderen nog te slapen leggen’ zeg ik terwijl ik hem een schouderklopje geef.
‘Geen probleem hoor Dennis, let maar niet op hem,’ zegt Eléonore. Ik begroet haar met een kus en geef ook John een schouderklop.
‘Whisky?’ vraagt barman Jacques al met een glas in zijn hand.
‘Neen Jacques, voor mij geen alcohol op een weekavond. Doe mij ook maar gewoon een kop koffie,’ zeg ik en neem plaats op de kruk naast John. Stephen tikt met zijn nagels tegen de asbak op het ritme van de grote klok die boven de bar hangt.
‘Hier zitten we weer,’ zeg ik.
‘Inderdaad,’ zegt Eléonore terwijl ze langzaam in haar drankje roert. ‘Hier zitten we weer, alweer een jaar verder.’
‘Eén koffie voor meneer!’ Jacques zet de kop voor me neer en begint daarna zijn koffieapparaat schoon te maken.
John kijkt in het rond en zucht. ‘Er komt hier steeds minder volk. Toen we hier vorig jaar zaten, was het hier ook al niet bepaald druk.’
‘Het zal vast door het slechte weer zijn,’ zegt Eléonore. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer op haar kruk.
‘Ja het is ineens erg koud de laatste dagen,’ beaam ik. ‘Volgens mij was het vorig jaar niet zo koud toen we hier zaten.’
Eléonore schud met haar hoofd. ‘Toch wel hoor, ik had ik toen ook een dikke winterjas aan we toen we hier de vorige keer afspraken. Je weet wel, die bontjas in nerts die ik van mama heb geërfd.’
John en ik knikken. Stephen zucht diep en slaat geërgerd een pagina van zijn tijdschrift om.
‘Gisteren was het zelfs zo koud dat ik de kinderen twee truien moest aantrekken,’ gaat Eléonore verder. ‘Dat is toch niet normaal meer? Volgende week zou het gaan sneeuwen. Daar heb ik echt een grondige hekel aan.’
‘Menen jullie dit nu?’ Stephen slaat met zijn vlakke hand op de bar. Hij kijkt ons met wijde ogen aan. ‘Gaan jullie nu echt over het weer praten?’
‘Stephen…’ begint Eléonore.
‘Neen Noor, ik wil dat dit stopt. Ik kan het niet meer verdragen dat er door iedereen wordt gedaan alsof er niets gebeurd is.’ Stephen’s stem beeft alsof hij elk moment de boel kort en klein zou kunnen slaan.
‘Rustig Stephen,’ sist John . ‘Wat wil je dan dat we doen? Wil je dat we hier allemaal zitten huilen? Dat lost toch ook niets op man.’
‘Ik kan er gewoon niet tegen dat iedereen, de hele familie, ons lijkt te mijden. Ze willen er gewoon niet over praten. Neen, geef hen maar hun rustig leven waar vooral niets in vraag wordt gesteld. Niemand vraagt ons hoe wij ons voelen. Niemand vraagt ons of we het wel redden. Als jullie nu ook al beginnen te doen alsof pa hier moment kan komen binnengewandeld, dan hoeft dit hele circus voor mij niet meer.’
‘Dat doen we toch niet. Het is gewoon moeilijk om over te praten,’ zegt Eléonore zacht. ‘Dennis zeg jij ook eens wat.’
Ik slik. ‘We hebben allemaal even tijd nodig Stephen. Niemand kan vatten wat er is gebeurd en iedereen gaat daar op een andere manier mee om.’
‘Bullshit!’ snauwt Stephen. ‘Ik kan niet leven met al die raadsels. Waarom we bijvoorbeeld elk jaar opnieuw de tweede donderdag van december naar deze bar moesten komen van pa. Waarom mama nooit mee wilde. Ik wil praten en snappen waarom er is gebeurd wat er is gebeurd. Ik had gehoopt dat jullie aan mijn kant zouden staan, maar als jullie er zo over denken, dan bekijken jullie het maar.’ Hij grist zijn jas van de stoel, gooit wat kleingeld voor zijn koffie op de toog en stormt de bar uit.
Geschrokken bijven we met zijn drieën achter.
‘Waarom doet hij nu zo? We zitten toch allemaal in hetzelfde schuitje? Niemand weet het fijne van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld in de familie?’ Eléonore begint zachtjes te huilen.
‘Rustig nou Noor.’ John wrijft haar over de rug. ‘Trek het je niet aan. Natuurlijk weet niemand dat, hé Dennis?’
‘Neen inderdaad,’ mompel ik.
‘Wat had die ineens?’ vraagt Jacques die alles van aan de andere kant van de toog heeft zien gebeuren. Hij neemt Stephens kleingeld van de toog en kijkt me dan lang en onderzoekend aan.
‘Geen idee. Slechte dag misschien?’ glimlach ik vaag en richt mijn blik snel op mijn kop koffie.
‘Ja, zo’n dingen gebeuren wel eens.’ zegt Jacques en verdwijnt naar de ruimte achter de toog.
Eléonore snuit haar neus. ‘Stephen heeft wel een punt. Ik zit ook nog steeds met veel vragen. Soms lig ik er ‘s nachts uren over te piekeren. Ze laten me niet los.’
‘Noor toch, soms blijft het verleden beter in het verleden. Misschien is het wel goed dat we niet alles weten, het zou onze mooie herinneringen aan pa alleen maar schade toe brengen.’ John neemt Eléonore’s hand vast en knijpt er even in.
‘Ik wil naar huis,’ zegt Eléonore snikkend. Ze staat op en trekt haar jas aan.
‘Ik loop wel even met je mee, ik moet toch dezelfde kant uit,’ zegt John.
‘Ik blijf nog even zitten,’ zeg ik ‘mijn kop koffie is nog niet leeg.’
‘Vind je dat niet erg?’ vraagt John terwijl hij zijn portefeuille bovenhaalt.
‘Neen hoor. Ik heb het tijdschrift dat Stephen achterliet hier nog. Maak je maar geen zorgen over mij. Laat trouwens maar zitten, ik betaal de drankjes wel.’
Eléonore en John verlaten de bar. Ik blader in het tijdschrift en drink rustig mijn kop leeg. In mijn hoofd blijven Stephens woorden malen. Hij heeft gelijk. Het is inderdaad vreemd dat we elk jaar op de tweede donderdag van december hier naartoe kwamen en dat onze moeder nooit mee wilde. Het is ook vreemd dat er in onze familie nooit over vaders jeugd wordt gesproken. Langzaam giet ik de laatste slok koffie naar binnen. Ik geef een teken aan Jacques die ondertussen met wat andere bargasten aan het praten is dat ik wil betalen. Hij knikt en loopt naar zijn kassa.
‘Tien Euro tachtig, alsjeblief’ zegt hij wanneer hij bij mij staat.
‘Nou, jij bent er ook niet goedkoper op geworden,’ lach ik terwijl ik hem een briefje van twintig toeschuif.
‘Het is voor iedereen crisis, ik moet ook zien te overleven,’ antwoord hij kort en loopt weer naar de kassa voor het wisselgeld.
Ik trek ondertussen mijn jas aan en kijk even naar buiten. Het is licht gaan regenen.
Jacques legt het wisselgeld en het bonnetje op de toog. ‘Alsjeblief, fijne avond nog en alvast prettige feesten.’
‘Tot een volgende Jacques.’ Ik graai het bonnetje en het kleingeld van de toog en vertrek.

Wanneer ik thuiskom, zit mijn vrouw op de bank televisie te kijken.
‘Was het gezellig?’ vraagt ze als ik de woonkamer binnenkom.
‘Viel wel mee. Stephen deed wat moeilijk,’ antwoord ik en plof naast haar op de bank neer.
‘Ach, geef hem wat tijd. Hij heeft het vast erg moeilijk om alles wat er het voorbije jaar gebeurd is te verwerken.’ Ze streelt mijn arm en nestelt zich tegen me aan.
‘Hm, dat kan wel,’ mompel ik.‘Ik ga slapen denk ik, Catherine, ik ben echt kapot.’ Ik sta op en maak aanstalte om naar de badkamer te gaan.
‘Oh schat, heb jij misschien nog wat kleingeld?’ vraagt mijn vrouw nog net voor ik de woonkamer verlaat. ‘De kinderen gaan morgen naar de Kerstmarkt met school en ik wil ze graag wat zakgeld meegeven.’
‘Natuurlijk liefje.’ Ik vis het wisselgeld en het bonnetje van vanavond in de bar uit mijn broekzak en leg het op de salontafel.
Catherine neemt het bonnetje dat Jacques me gaf en ontvouwt het. ‘Wat is dit Dennis?’ vraagt ze verbaasd. ‘Er staat wat opgeschreven.’ Mijn vrouw geeft het bonnetje aan mij.
‘Meer info over je vader, morgen 19u30, Steenstraat 13. Zeker komen. Groeten, Jacques.’
‘Wel heb je ooit…Jacques…’ zucht ik.

‘Decemberlucht’ haalde de top tien in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018

decemberlucht

2017, een jaar van knallen en opstaan

Het was zondag tien september 2017 ergens in een Grimbergs rusthuis. ‘Hou gij u ook goed hé, Anske!’ Ik knik en verlaat opgelucht de kamer. Het gaat beter met mijn grootmoeder. Ze weet mijn naam nog en ze is rustiger dan de laatste weken. Ze blijft nog wel even bij ons.
Drie dagen later is ze dood. Op dertien september, nota bene de 43ste huwelijksverjaardag van mijn ouders, is ze eindelijk naar haar grote liefde, mijn grootvader, vertrokken.

2017, je sloeg en zalfde met dezelfde hand.

In tegenstelling tot 2016, begon 2017 erg kalm. Het zou een jaar van rustpunten worden. Mijn ouders zouden met pensioen gaan en eindelijk van het leven kunnen genieten. Iedereen was gezond en ikzelf was net met een nieuwe job gestart. Ik zag het helemaal zitten en had erg hoge verwachtingen van dit nieuw begin. Eindelijk zat ik op de plek waar ik de voorbije tien jaar hard voor had gewerkt. Ik ging er volledig voor. Dagen van tien uur en meer op kantoor en elke dag naar huis al denkend aan de avonturen van de volgende dag. Ik had het gevoel dat ik leefde en niemand zou mij dat nog afpakken.

In mei kwam de eerste kleine barst in het jaar dat zo aangenaam begonnen was. Ik ging te hard op in mijn job en ik moest een versnelling lager schakelen. Geen probleem, dacht ik, dit is niet de eerste keer dat ik me vergaloppeer in mijn perfectionisme. Ik ken mezelf onderhand al wel en weet hoe ik in zo’n situaties moet handelen. Ik stond weer op, haalde een paar keer diep adem, rechtte mijn rug en liep verder.

Maar 2017 ging een stap verder in het stellen van beproevingen. In mei belandde mijn grootvader in het ziekenhuis en ook andere familieleden werden medisch voor voldongen feiten gesteld. Pijnlijk en vooral erg oneerlijk. Ik zag mensen rond mij breken en dat brak dan weer mijn hart.

Tegen juni ging op het werk van kwaad naar erger. Stress werd te hoog, deadlines te kort en ik begon te wankelen. Ik voelde mij verloren in een gang zonder ramen waar dromen langzaam in nachtmerries waren veranderd. Hoewel ik kon rekenen op een aantal erg fijne collega’s, woekerde de stress tot hoog boven mijn hoofd. Ik verloor mijn geduld, mijn humeur, mijn goesting en ik werd ziek. Eerst voor twee dagen, dan voor een week. Ik stelde mezelf dagelijks de vraag wat ik dan wél wilde gaan doen, maar voor het eerste sinds jaren kon ik geen antwoord meer bedenken op die vraag.

Gelukkig waren juli en augustus lichtpunten. Mijn schrijfwerk liep vlot en er diende zich een aantal theaterprojecten aan die mij de tweede helft van het jaar 2017 een reden zouden geven om te blijven doorgaan. Ik leerde mensen kennen die mij inspireerden en had een paar goede vrienden die mij eraan herinnerden dat ik meer was dan enkel een postproducer.
En toen gebeurde er iets wat ik nooit had durven dromen: mijn eerste boek werd gepubliceerd. Ik heb geen kinderen, maar ik durf te geloven dat een boek op de wereld zetten een soortgelijk gevoel geeft. Je laat iets wat uit jou is gekomen los op de wereld niet wetend wat ermee zal gebeuren, maar waarvan je zeker weet dat zelfs al is het niet perfect, je er moeilijk een kwaad woord over verdraagt.

September gaf de laatste mokerslag van 2017. Mijn oma stierf en hoewel ik goed afscheid heb kunnen nemen, deed dat toch veel pijn. De vrouw die vierendertig jaar lang één van mijn grootste voorbeelden was, zou nu alleen nog in mijn herinneringen leven.
Rond mij zag ik dat andere mensen op hun beurt geliefden moesten afgeven. Ik zag sterke en mooie mensen huilen om oneerlijk verlies. Verlies dat veel te vroeg of onverwacht kwam, maar ook om verlies dat misschien meer te voorzien was, maar daarom niet minder inhakte.
Na elke begrafenis of rotte werkdag kwam ik alleen thuis en voor het eerst sinds jaren besefte ik echt hoe eenzaam het bestaan zonder lief kan zijn. Letterlijk alles in mijn lijf deed pijn. Ik verloor gewicht, mijn gezondheid, en als laatste mezelf. Dit moest stoppen.

En gelukkig deed het dat. Eind september kreeg ik een verlossende telefoon. De job waar ik al een aantal maanden voor aan het solliciteren was, was van mij. Voor het eerst sinds maanden huilde ik niet uit wanhoop maar uit hoop. Ik kreeg de kans om een switch te maken en na tien jaar afscheid te nemen van een job waarvan ik door de jaren heen misschien wel ongezond veel was gaan verwachten.

De laatste twee maanden van 2017 waren er van loslaten en opnieuw beginnen. Van in de spiegel durven kijken en nadenken over hoe het nu verder moet. Van mijn gezondheid onder handen nemen en mijn goesting in het leven terugvinden.
Ik ben er nog niet, maar ik ben er mee bezig en dat voelt eindelijk weer goed. Gelukkig is er vanaf nu een 2018 en dat is voorlopig even het enige wat ik nodig heb.

26653006_10155909468702310_236431351_o

Time Management

‘Vierentwintig uren in een dag vind ik toch écht te weinig. Ik kom er alleszins niet mee toe.’ Ze kijkt me aan alsof ik de minuten-fee ben die haar tekort aan tijd voorgoed uit de wereld kan helpen. Anastasia, ik ken ze al van toen ze nog Staasje was. ‘Dàt is lang geleden,’ kirde ze toen ik net de koffiebar binnenwandelde. De tijd waar zij steeds te weinig van heeft, heeft weinig vat op haar gehad, want ze is nog niets veranderd.

‘Waarmee ben jij tegenwoordig allemaal bezig?’ Staasje kijkt me oprecht geïnteresseerd aan met haar grote, zwart omlijnde ogen.
‘Ik werk in de media en in mijn vrije tijd schrijf ik zo een beetje.’ zeg ik met enige fierheid.
‘Wat leuk! Ik ben zelf ook echt een creatieve duizendpoot. Organiseren, filosoferen, acteren en creëren: ik combineer het het liefst allemaal.’ kraait ze net iets te luid.
Normaal heb ik een hekel aan dit soort immer opgewekte mensen, maar om de één of andere reden intrigeert dit exemplaar me. Ik ben zelfs een beetje jaloers op haar tomeloze energie. Ze geeft me het vreemde gevoel dat het licht iets feller gaat schijnen wanneer ze praat.

‘Sinds drie jaar heb ik een blog,’ ratelt ze ongestoord verder. ‘Het loopt goed hoor! Al twijfel ik tegenwoordig of ik nog wel op het juiste spoor zit. Een blog is dat nu niet echt iets uit 2013? Misschien moet ik wel iets met tutorials gaan doen? Of vloggen? Maar ja, daar kruipt allemaal ook weer zo veel tijd in.’ Er valt een stilte, iets wat ongewoon is in haar aanwezigheid. Ze bijt op haar lip en begint nonchalant door het trendy magazine dat voor haar ligt te bladeren.

‘Ja, dat ga ik doen!’ zegt ze dan ineens beslist. ‘Ik start een vlog en dan interview ik elke week een inspirerend iemand. Dat is toch een goed idee?’
Staasje verwacht geen antwoord op die laatste vraag. In haar hoofd maakt ze al een lijst van BV’s die ze wil strikken voor haar nieuwe plan. Ze tokkelt genadeloos met haar gelnagels tegen haar koffiemok en tuit haar lippen even. Ik zit haar gebiologeerd aan te staren, overweldigd door haar aanstekelijk enthousiasme.

‘Heb je al eens iets gelezen op mijn pagina?’ vraagt ze dan ineens. Helaas wacht ze deze keer wel op mijn antwoord.
‘Nog niet, maar ik ben het zeker wel van plan.’
‘Het is wel iets voor jou denk ik! Ik richt me vooral op jonge, hippe vogels die het graag op hun manier doen. Zoals ik in feite. Ik bewandel ook nooit de platgetreden paden. Een ordinair geschenk uit de winkel dat is bij mij uit den boze! Neen, ik geef altijd iets zelfgemaakt en origineel.’
‘Klinkt leuk allemaal!’ glimlach ik schaapachtig. ‘Als ik straks thuis ben, ga ik zeker eens snuisteren op die blog van jou.’ Dat laatste lieg ik. Ik heb wel degelijk de intentie om haar blog te lezen, maar helaas zijn mijn dagen met hun vierentwintig uur soms ook gewoon te kort.

zakhorllll

Vogelverhaal

Beduusd staren we met zijn twee naar het natgeregende terras.
‘Zielig hé,’ zegt mijn vriendin. Ze laat haar vingers pathetisch langs het raam naar beneden glijden. Ik tuur meewarig naar de dode witte duif op de donkerblauwe tegels voor ons. Ze ligt er vredig bij, met haar oogjes dicht en haar beide pootjes in de lucht.

‘Hoe is ze daar terechtgekomen?’ vraag ik.
Mijn vriendin trekt haar schouders op en loopt naar de bank waar ze neerploft.
‘Tegen het raam gevlogen denk ik. Ze lag er al toen we vanmiddag van het boodschappen doen thuiskwamen.’
‘Een tragische dood,’ zeg ik en duw mijn neus tegen het raam.
‘Sht!’ sist mijn vriendin en wijst naar haar twee peuters die ongestoord op de mat aan het spelen zijn. ‘Ik heb hen verteld dat ze vast een vredesduif is, die moe is van al het vrede brengen in de wereld. Dat ze gewoon even een dutje doet en morgen wel weer vertrokken zal zijn om haar zware taak verder te zetten.’
Ik kijk mijn vriendin met grote ogen aan. Fascinerend hoe ze steeds weer de meest van de pot gerukte verhalen aan haar kinderen wijsmaakt om hen het leed des levens te besparen.

‘Tegen morgenochtend moet ik dat ding dus op de één of andere manier weg zien te krijgen.’ fluistert ze samenzweerderig in mijn richting. ‘Zo lang het er ligt, mogen de kinderen niet buiten. Stel je voor dat ze het vieze ding zouden aaien, ik moet er niet aan denken.’
Ik knik begrijpend. Wat doe je in godsnaam met een dode duif die je terras bezoedeld? ‘Misschien kan je ze in de tuin begraven?’ probeer ik.
‘Ben je gek? Ik kom daar niet aan hoor! Dat beest zit vast vol met enge bacteriën.’
Mijn vriendin zwijgt even en zegt dan beslist: ‘Ik weet wat ik ga doen! Ik ga ze met een schop over de haag gooien bij de buren, dan kunnen zij er maar een oplossing voor vinden.’
‘Ga je daar geen last mee krijgen?’ frons ik mijn wenkbrauwen.
Mijn vriendin grijnst. ‘De tuin van die marginalen hiernaast is sowieso een stort, een dode vogel meer of minder zal heus het verschil niet maken.’

Tevreden met haar plan staat mijn vriendin op en loopt naar het aanrecht.
‘Koffie?’ vraagt ze vrolijk.
‘Ja graag,’ knik ik. Ik denk even na over het net gesmede plan, mijn blik nog steeds op de dode vogel gericht. ‘Misschien is het nog zo geen gek idee,’ zeg ik dan en trek kort mijn schouders op. Ik draai me om en ga aan de keukentafel zitten, klaar voor mijn kop koffie. Mijn vriendin leunt glunderend tegen het aanrecht en zet tevreden haar handen in haar zij. ‘Vanavond, als het donker is, dan ga ik de tuin in en dan sodemieter ik dat dooie ding met een schop over de haag. Dan ben ik er vanaf en de kinderen kunnen weer buiten. Probleem opgelost!’
‘Ideaal!’ beaam ik met een glimlach.
‘Er is wel één probleem,’ zegt mijn vriendin dan ineens zacht, ‘we hebben geen schop.’

DUIF

 

 

Een verhalend ontbijt

Fris fruit danst zacht en zoet de nacht uit mijn ogen
tot hun vitaminen door mijn gestel gonzen
en ik aan een nieuw etmaal kan beginnen.
Ik voel me vitaal en verwend,
want daar is weer een dag om mijn leven te leiden
en erna als verhaal te kunnen vertellen.

20628940_10155508632937310_767721501_o