‘Je mag ook huilen’ is online verkrijgbaar op http://bit.ly/jemagookhuilen
of via de betere boekhandels.

9789460793431

Advertenties

De bekende onbekende.

Soms denk ik dat ik jou zie lopen. In een drukke winkelstraat of op een treinperron. Met je terugdeinzende haarlijn en je linkerbeen dat soms wat mankte. Je was eigenlijk niet eens zo perfect.
Ik herinner me mijn afscheid nog levendig. Mijn afscheid, want jij was nergens te bespeuren. Je was die dag boos om iets stoms. Zo stom dat ik er nooit van zei dat het me speet, omdat spijt de situatie een complexiteit zou hebben gegeven die ze niet verdiende. En omdat ik ook wel eens recht had op een slechte dag. Dat was niet alleen jouw voorrecht.

Hoe moet ik nu reageren als ik jou onverwacht tegen het lijf zou lopen?
Loop ik dan gewoon voorbij, als een leven dat het jouwe toevallig kruist? Alsof we nooit samen plannen hebben gesmeed, waarvan we beiden wisten dat ze in een ander leven thuishoorden. Alsof we nooit hebben gelachen om de dingen die niemand anders begreep? Alsof we nooit langs het water struinden, luisterend naar elkaars verhalen. Ik met de tranen, jij met de zakdoeken.
Die herinneringen zijn nochtans gemaakt. Daar kan je nu toch niet meer om heen? Ze ontkennen, zou willen zeggen dat onze ‘wij’ nooit heeft bestaan.
Veel liever zou ik me ook herinneren hoe we ‘Tot ziens’ zouden hebben gezegd. Letterlijk: tot op het moment dat we elkaar weer zouden zien. Al wisten we beiden dat dat moment er waarschijnlijk nooit zou komen.
Moet ik dan de tijd vergeten die we als ‘wij’ spendeerden?
Dat is eigenlijk wat ik jou nog het liefst als laatste wil zeggen: dat je nu de herinnering bent die ik misschien liever niet had willen hebben, terwijl je ooit de herinnering was die ik zo graag wilde behouden.

39208416_513665389075978_752199445277310976_n

Toen ik vijftig werd

Toen ik vijftig werd, regende het. Mijn plan was om in de voormiddag een wandeling te maken in het stadspark. Dat was nu geen optie. Ik ging aan het raam van de woonkamer staan en stak een sigaret op. Het was de laatste van het pakje. Misschien was het wel een goed idee om te stoppen met roken, nu ik vijftig was.

Rond lunchtijd rinkelde de telefoon. Mijn vader. Of ik morgen eens naar zijn televisie kon komen kijken, want die was stuk. Toen ik hem vroeg of hij niets vergat, antwoordde hij dat ik niet flauw moest doen. Vijftig was nu ook weer niet zo speciaal.

Na het telefoontje besloot ik dan maar zelf deze dag wat feestelijk te maken. Ik ging naar de bakker en kocht er een frambozentaart en drie elcairs. Dat ik die alleen zou opeten, hoefde niemand te weten. Daarna ging ik naar de krantenwinkel. Ik haalde er een ‘Win for life’ krasbiljet en een nieuw pakje sigaretten. Stoppen met roken kon ook nog wanneer ik zestig werd.

Thuis legde ik de cd van Eros Ramazzotti op. Iedereen heeft recht op een guilty pleasure, zeker op haar verjaardag. Ik haalde een fles wijn uit de kelder en zocht naar kaarsjes. Ik vond er maar één van. Die moest dan maar volstaan. Het maakte het uitblazen ook een stuk makkelijker.

Ik ging zitten op de bank met het gebak en nam de ‘Win for life’ uit mijn handtas. Voor één keer die dag had ik geluk: ik kraste vijfhonderd Euro. ‘Lang zal ze leven,’ zong ik en nam een hap uit een eclaire.
Zo werd het toch een mooie dag, die dag dat ik vijftig werd.

Frambozentaart

Ode aan

Bij het ontwaken denk ik meteen aan jou. Ook op de weg naar het werk laat je me niet los. Tijdens de koffiepauze zoek ik je op en aan mijn bureau breng je me momenten van ontspannend genot.
Zelfs in mijn dromen speel je zelden een bijrol.

Als je er niet bent, denk ik aan jou. Als je er wél bent, denk ik eigenlijk ook aan jou. Aan jouw nooit kleurloos te noemen smaak. Je geur en je smeltende textuur. Zo tastbaar, zo aanwezig en toch ook zo snel weer weg.
Je bestaan is er één van duizend variaties.

Je bent de uitvinder van bitterzoet, van indringende subtiliteit en ruwe zachtheid. Combineerbaar met alles, maar ook in je eentje een niet te onderschatten plezier. Een sensatie die moeilijk niet te beschrijven valt. Je intensiteit is onevenaarbaar en altijd veel te kort van duur.

Ik ontdoe je voorzichtig met wijsvinger en duim van je flinterdunne emballage, frivool als ogenschijnlijk onschuldige lingerie. Daarna aanschouw ik jouw unieke structuur. Je gave ebbenhouten naaktheid.
Je bent puur, je vaak Afrikaanse herkomst nooit verloochenend. Je bezit een fractie van koppigheid en een overvloed aan liefde.
Iedereen verklaart me gek, maar ik blijf erbij:‘Zwart is wél een kleur!’

Met jou verwerk ik. Met jou vergeet ik.
Een drug in moeilijke tijden Een drug in makkelijke tijden.
Mijn eerste hulp bij stress, mijn grote troost bij verdriet. Voor de gelegenheid en nog vaker zonder gelegenheid.
Met jou deel ik, maar zelden of nooit deel ik jou.
Van te veel van jou word ik ziek, van te weinig van jou word ik nog zieker.
Ik zoek je overal, zie je overal en neem je het liefst altijd mee voor het geval dat.
Ik klamp ik me vast aan jou, aanbid jou.
Ik ben verslaafd aan jou.

OdeAanChocolade

Tussen kunst en liefde

‘Ik snap het niet.’ Simon doet een stap naar achter en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Hij laat zijn hoofd een beetje naar rechts hangen en haalt diep adem. ‘Neen sorry, ik snap dit kunstwerk echt niet.’
Mia, die naast hem staat, kijkt hem vragend aan. ‘Wat snap je niet?’
‘Nou gewoon, ik snap hét niet. Ik snap niet wat mensen er zo fantastisch aan vinden.’
‘Je moet kunst toch niet altijd snappen,’ glimlacht Mia ‘Soms is er gewoon naar kijken genoeg.’
Simon legt zijn hand op zijn kin en fronst zijn wenkbrauwen. Hij doet een stap in de richting van het bordje dat naast het werk hangt. ‘De natuur en meer in het bijzonder het platteland, zijn steeds het uitgangspunt van deze kunstenaar. Al worden zijn werken door de jaren heen steeds abstracter. Het gebruik van lijnen, vlakken en kleuren zijn voor deze schilder de manier bij uitstek om zich uit te drukken. Waar in het begin van zijn carrière zijn werken nog erg naturalistisch waren, wijken ze vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer van de werkelijkheid af.’ Simon gniffelt sarcastisch.‘Dat kan je wel zeggen. Ik herken hier echt niets van akkers of velden in.’
‘Dat hoeft toch niet?’ zegt Mia. ‘Geniet gewoon van de kleuren en de compositie van dit werk.’
Simon kijkt rond in de ruimte. ‘Neem nu dat werk daar.’ Hij wijst naar een canvas dat tegen een andere muur in de ruimte hangt. ‘Dat slaat toch nergens op? Ik zie enkel wat lijnen en strepen en hier en daar een klodder pastelkleurige verf. Dat kan ik ook. Ik zal zelfs meer zeggen: dat kan zelfs mijn nichtje van drie. Is dat dan ook kunst?’ Simon gaat zo op in zijn ergernis dat hij het ouder koppel dat de zaal is ingewandeld niet heeft opgemerkt. De man kucht zachtjes terwijl zijn vrouw hem aan zijn mouw snel naar de andere kant van de ruimte trekt. Mia knikt verontschuldigend naar hen als ze haar passeren. Ze schaamt zich ineens een beetje om Simon.
Simon merkt de ongemakkelijke sfeer in de ruimte duidelijk niet op. Hij schuifelt zenuwachtig heen en weer.‘Ik word lastig wanneer ik de dingen niet snap. Ik krijg dan altijd het gevoel dat ik dom ben.’ Hij loopt geërgerd naar het raam in de museumzaal. ‘Het zal wel compleet not done zijn dit te zeggen in een gerenommeerd museum als dit, maar kunst is echt niets voor mij. Geef mij maar gewone dingen, zoals de natuur buiten bijvoorbeeld of Star Wars.’ Hij draait zich bruusk om naar Mia. ‘Maar dat zal wel te mainstream zijn zeker?’
Mia moet lachen om Simon’s ergernis. Ze gaat op een bankje in het midden van de museumzaal zitten. ‘Simon toch, ik ga vaak naar musea en ik snap ook lang niet alles. Ik denk eigenijk ook niet dat dat hoeft. Het belangrijkste is dat je iets voelt als je naar een werk kijkt, niet of je het snapt of mooi vindt. Ik denk dat dat de essentie van kunst is, dat het je op de één op andere manier raakt.’
‘De essentie van kunst.’ Simon laat moedeloos zijn schouders hangen. ‘Ik denk toch dat het weer even zal duren eer ik nog eens naar een museum ga. Ik kan het beter op andere vrijetijdsbestedingen houden.’
‘Je bent niet dom, maak je geen zorgen. Ik hou ook best van Star wars,’ glimlacht Mia lief.
Simon zucht en leunt met zijn zij tegen de vensterbank. De zon tekent de lijn van zijn gezicht af. Hij heeft best een grote neus, denkt Mia, dat was haar nog nooit opgevallen. Net als zijn onzekerheid, die had ze ook nog nooit eerder gezien. Ze schrikt er een beetje van. Simon is meestal net erg zelfzeker, op het arrogante af. Nu staat hij daar als een schooljongetje dat net voor de eerste keer is gezakt voor wiskunde. Vreemd, ze had zich hun eerste echte afspraakje met twee helemaal anders voorgesteld. Mia wordt ineens overvallen door een soort angstgevoel. Straks gaat hij naar huis met het gevoel dat hij zijn tijd beter had kunnen besteden dan hier samen met haar in een museum. Ze had hem misschien beter gewoon meegenomen naar de bioscoop. Of misschien vindt hij haar nu wel een cultuursnob. Iemand die enkel naar films en tentoonstellingen gaat omdat die hoog aangeschreven staan, niet omdat ze die echt wil zien. Ze doet nochtans haar best om Simon op zijn gemak te stellen.
‘Ik moet gaan,’ zegt Simon opeens.
Mia schrikt wakker uit haar stroom van gedachten. ‘Oh, nu al?’
‘Ja sorry, ik had nog met vrienden afgesproken. Als ik op tijd wil zijn, dan moet ik de trein van acht voor vijf halen halen.’
Mia kijkt op haar horloge. ‘Het is al half vijf en het is toch zeker nog twintig minuten stappen naar het station, dus dan moet je inderdaad nu vertrekken.’
‘Klopt. Zullen we dan maar?’ Simon zet geheid de tocht naar de uitgang in.
Voor ze het weet staat Mia samen met hem in de grote inkomhal van het museum.
‘Ik moet nu rennen. Sorry hoor, maar ik had dit echt al lang geleden afgesproken met die vrienden,’ zegt Simon terwijl hij gehaast zijn jas aantrekt.
Mia knikt begrijpend. ‘Geen probleem. Ik hoop dat je het toch een beetje een fijne middag vond?’
‘Ja hoor, heel fijn,’ zegt Simon zonder haar aan te kijken. Hij ritst zijn jas dicht en zwaait met een soepele beweging zijn rugzak op zijn rug. ‘Goed, tot de volgende? We bellen nog. Doei!’ Simon geeft Mia vluchtig een kus op de wang en weg is hij.
Mia blijft beteuterd achter. Ze trekt langzaam haar jas aan en slentert naar de uitgang van het museum. Dit was vast de eerste en meteen ook de laatste keer dat hij met mij op stap wil, denkt ze. Ze voelt zich opeens erg onzeker worden. Waarom is het toch zo moeilijk om iemand te vinden waarmee je dingen kan delen? Ze doet nochtans erg haar best om zich open te stellen en nieuwe mensen te leren kennen. Het is allemaal zo vermoeiend. Mia zucht. Misschien heeft Simon wel gelijk, denkt ze dan, misschien is dit niets voor hem. Misschien snapt hij het echt gewoon niet. Ze bekijkt zichzelf in de weerspiegeling van het glas van de museumdeur. Naast haar land een stadsmus die zorgeloos kwettert. Ach ja, denk Mia dan, misschien snapt Simon haar ook gewoon niet.

Dit verhaal won de derde prijs in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018.

Gerrit_BirdArtwork: www.shellacdesign.com

 

Decemberlucht

De lucht kleurt al donker wanneer ik die avond mijn huis verlaat.
Ik trek de voordeur achter me dicht en wandel naar de bar waar ik met mijn twee broers en zus heb afgesproken. Op de hoek van de straat waar ik moet zijn, hou ik even halt. Ik neem mijn pakje sigaretten uit mijn broekzak en neem er één uit. Verdorie, het is de laatste. Ik steek de sigaret op en blaas kleine wolkjes in de koude decemberlucht.
Door het raam van de bar zie ik ze zitten. John en Eléonore naast elkaar met elk een kop koffie voor zich. Ze praten met Jacques, de barman. De man staat hier al jaren achter de toog. Al zeker sinds we deze jaarlijkse traditie startten, dat moet nu zo ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn.
Stephen zit niet bij hen. Hij zit wat verder aan de bar met zijn rug naar mij toe, afwezig in een tijdschrift de bladeren. Ik neem een laatste trek. Daarna gooi ik de peuk argeloos met duim en wijsvinger de nacht in. Ik steek de straat over en ga de bar binnen.

‘Je bent laat,’ zegt Stephen zonder op te kijken van het tijdschrift.
‘Ja sorry, het is druk op de zaak en ik moest de kinderen nog te slapen leggen’ zeg ik terwijl ik hem een schouderklopje geef.
‘Geen probleem hoor Dennis, let maar niet op hem,’ zegt Eléonore. Ik begroet haar met een kus en geef ook John een schouderklop.
‘Whisky?’ vraagt barman Jacques al met een glas in zijn hand.
‘Neen Jacques, voor mij geen alcohol op een weekavond. Doe mij ook maar gewoon een kop koffie,’ zeg ik en neem plaats op de kruk naast John. Stephen tikt met zijn nagels tegen de asbak op het ritme van de grote klok die boven de bar hangt.
‘Hier zitten we weer,’ zeg ik.
‘Inderdaad,’ zegt Eléonore terwijl ze langzaam in haar drankje roert. ‘Hier zitten we weer, alweer een jaar verder.’
‘Eén koffie voor meneer!’ Jacques zet de kop voor me neer en begint daarna zijn koffieapparaat schoon te maken.
John kijkt in het rond en zucht. ‘Er komt hier steeds minder volk. Toen we hier vorig jaar zaten, was het hier ook al niet bepaald druk.’
‘Het zal vast door het slechte weer zijn,’ zegt Eléonore. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer op haar kruk.
‘Ja het is ineens erg koud de laatste dagen,’ beaam ik. ‘Volgens mij was het vorig jaar niet zo koud toen we hier zaten.’
Eléonore schud met haar hoofd. ‘Toch wel hoor, ik had ik toen ook een dikke winterjas aan we toen we hier de vorige keer afspraken. Je weet wel, die bontjas in nerts die ik van mama heb geërfd.’
John en ik knikken. Stephen zucht diep en slaat geërgerd een pagina van zijn tijdschrift om.
‘Gisteren was het zelfs zo koud dat ik de kinderen twee truien moest aantrekken,’ gaat Eléonore verder. ‘Dat is toch niet normaal meer? Volgende week zou het gaan sneeuwen. Daar heb ik echt een grondige hekel aan.’
‘Menen jullie dit nu?’ Stephen slaat met zijn vlakke hand op de bar. Hij kijkt ons met wijde ogen aan. ‘Gaan jullie nu echt over het weer praten?’
‘Stephen…’ begint Eléonore.
‘Neen Noor, ik wil dat dit stopt. Ik kan het niet meer verdragen dat er door iedereen wordt gedaan alsof er niets gebeurd is.’ Stephen’s stem beeft alsof hij elk moment de boel kort en klein zou kunnen slaan.
‘Rustig Stephen,’ sist John . ‘Wat wil je dan dat we doen? Wil je dat we hier allemaal zitten huilen? Dat lost toch ook niets op man.’
‘Ik kan er gewoon niet tegen dat iedereen, de hele familie, ons lijkt te mijden. Ze willen er gewoon niet over praten. Neen, geef hen maar hun rustig leven waar vooral niets in vraag wordt gesteld. Niemand vraagt ons hoe wij ons voelen. Niemand vraagt ons of we het wel redden. Als jullie nu ook al beginnen te doen alsof pa hier moment kan komen binnengewandeld, dan hoeft dit hele circus voor mij niet meer.’
‘Dat doen we toch niet. Het is gewoon moeilijk om over te praten,’ zegt Eléonore zacht. ‘Dennis zeg jij ook eens wat.’
Ik slik. ‘We hebben allemaal even tijd nodig Stephen. Niemand kan vatten wat er is gebeurd en iedereen gaat daar op een andere manier mee om.’
‘Bullshit!’ snauwt Stephen. ‘Ik kan niet leven met al die raadsels. Waarom we bijvoorbeeld elk jaar opnieuw de tweede donderdag van december naar deze bar moesten komen van pa. Waarom mama nooit mee wilde. Ik wil praten en snappen waarom er is gebeurd wat er is gebeurd. Ik had gehoopt dat jullie aan mijn kant zouden staan, maar als jullie er zo over denken, dan bekijken jullie het maar.’ Hij grist zijn jas van de stoel, gooit wat kleingeld voor zijn koffie op de toog en stormt de bar uit.
Geschrokken bijven we met zijn drieën achter.
‘Waarom doet hij nu zo? We zitten toch allemaal in hetzelfde schuitje? Niemand weet het fijne van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld in de familie?’ Eléonore begint zachtjes te huilen.
‘Rustig nou Noor.’ John wrijft haar over de rug. ‘Trek het je niet aan. Natuurlijk weet niemand dat, hé Dennis?’
‘Neen inderdaad,’ mompel ik.
‘Wat had die ineens?’ vraagt Jacques die alles van aan de andere kant van de toog heeft zien gebeuren. Hij neemt Stephens kleingeld van de toog en kijkt me dan lang en onderzoekend aan.
‘Geen idee. Slechte dag misschien?’ glimlach ik vaag en richt mijn blik snel op mijn kop koffie.
‘Ja, zo’n dingen gebeuren wel eens.’ zegt Jacques en verdwijnt naar de ruimte achter de toog.
Eléonore snuit haar neus. ‘Stephen heeft wel een punt. Ik zit ook nog steeds met veel vragen. Soms lig ik er ‘s nachts uren over te piekeren. Ze laten me niet los.’
‘Noor toch, soms blijft het verleden beter in het verleden. Misschien is het wel goed dat we niet alles weten, het zou onze mooie herinneringen aan pa alleen maar schade toe brengen.’ John neemt Eléonore’s hand vast en knijpt er even in.
‘Ik wil naar huis,’ zegt Eléonore snikkend. Ze staat op en trekt haar jas aan.
‘Ik loop wel even met je mee, ik moet toch dezelfde kant uit,’ zegt John.
‘Ik blijf nog even zitten,’ zeg ik ‘mijn kop koffie is nog niet leeg.’
‘Vind je dat niet erg?’ vraagt John terwijl hij zijn portefeuille bovenhaalt.
‘Neen hoor. Ik heb het tijdschrift dat Stephen achterliet hier nog. Maak je maar geen zorgen over mij. Laat trouwens maar zitten, ik betaal de drankjes wel.’
Eléonore en John verlaten de bar. Ik blader in het tijdschrift en drink rustig mijn kop leeg. In mijn hoofd blijven Stephens woorden malen. Hij heeft gelijk. Het is inderdaad vreemd dat we elk jaar op de tweede donderdag van december hier naartoe kwamen en dat onze moeder nooit mee wilde. Het is ook vreemd dat er in onze familie nooit over vaders jeugd wordt gesproken. Langzaam giet ik de laatste slok koffie naar binnen. Ik geef een teken aan Jacques die ondertussen met wat andere bargasten aan het praten is dat ik wil betalen. Hij knikt en loopt naar zijn kassa.
‘Tien Euro tachtig, alsjeblief’ zegt hij wanneer hij bij mij staat.
‘Nou, jij bent er ook niet goedkoper op geworden,’ lach ik terwijl ik hem een briefje van twintig toeschuif.
‘Het is voor iedereen crisis, ik moet ook zien te overleven,’ antwoord hij kort en loopt weer naar de kassa voor het wisselgeld.
Ik trek ondertussen mijn jas aan en kijk even naar buiten. Het is licht gaan regenen.
Jacques legt het wisselgeld en het bonnetje op de toog. ‘Alsjeblief, fijne avond nog en alvast prettige feesten.’
‘Tot een volgende Jacques.’ Ik graai het bonnetje en het kleingeld van de toog en vertrek.

Wanneer ik thuiskom, zit mijn vrouw op de bank televisie te kijken.
‘Was het gezellig?’ vraagt ze als ik de woonkamer binnenkom.
‘Viel wel mee. Stephen deed wat moeilijk,’ antwoord ik en plof naast haar op de bank neer.
‘Ach, geef hem wat tijd. Hij heeft het vast erg moeilijk om alles wat er het voorbije jaar gebeurd is te verwerken.’ Ze streelt mijn arm en nestelt zich tegen me aan.
‘Hm, dat kan wel,’ mompel ik.‘Ik ga slapen denk ik, Catherine, ik ben echt kapot.’ Ik sta op en maak aanstalte om naar de badkamer te gaan.
‘Oh schat, heb jij misschien nog wat kleingeld?’ vraagt mijn vrouw nog net voor ik de woonkamer verlaat. ‘De kinderen gaan morgen naar de Kerstmarkt met school en ik wil ze graag wat zakgeld meegeven.’
‘Natuurlijk liefje.’ Ik vis het wisselgeld en het bonnetje van vanavond in de bar uit mijn broekzak en leg het op de salontafel.
Catherine neemt het bonnetje dat Jacques me gaf en ontvouwt het. ‘Wat is dit Dennis?’ vraagt ze verbaasd. ‘Er staat wat opgeschreven.’ Mijn vrouw geeft het bonnetje aan mij.
‘Meer info over je vader, morgen 19u30, Steenstraat 13. Zeker komen. Groeten, Jacques.’
‘Wel heb je ooit…Jacques…’ zucht ik.

‘Decemberlucht’ haalde de top tien in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018

decemberlucht